Ernst Schneider behoorde tot de minstens 15 Jehovah’s Getuigen die op 3 mei 1945 de aanval van Britse jachtbommenwerpers op de schepen „Cap Arcona”, „Thielbek” en „Deutschland” in de Neustädter Bucht overleefden. Als jonge, „dienstplichtige” man was hij bij het uitbreken van de oorlog al snel in direct conflict gekomen met het nationaalsocialistische regime.
"In de Bijbel staat 'Gij zult niet doden' en soldaat worden was om die reden voor mij uitgesloten", verklaarde hij in oktober 1939 aan zijn leidinggevenden bij de firma Rohde und Dörrenberg in Düsseldorf-Oberkassel, toen zij hem vroegen om lid te worden van de DAF (Deutsche Arbeitsfront).1
Schneider werd op 28 maart 1911 in Düsseldorf geboren, studeerde aan het conservatorium in Keulen, componeerde zelf muziekstukken en was in het seizoen 1937/38 werkzaam bij het Stedelijk Orkest van Düsseldorf. Zijn instrument was de fagot. Sinds 1932 woonde hij openbare lezingen van de Jehova's Getuigen bij en ondanks het verbod op de geloofsgemeenschap in Pruisen in juni 1933 bleef hij zich bekeren tot hun geloofsprincipes – waaronder de gelijkheid van alle mensen, politieke neutraliteit en het christelijke gebod van naastenliefde.